ICT-integratie in het basisonderwijs


Interactief Onderwijs


Vijf ingangen voor vernieuwing naar interactief onderwijs

Interactief onderwijs vraagt een andere vorm van onderwijs geven in de klas. De leerkracht krijgt een andere rol en zal zich minder richten op kennisoverdracht en instructie. Leerlingen leren meer door samen met andere leerlingen problemen op te lossen en te ontdekken hoe iets werkt. De rol van leerkracht wordt meer die van begeleider of coach. De implicaties van deze veranderende rol wordt door middel van acht leerkrachtcompetenties voor interactief (taal)onderwijs verhelderd. 

Deze competenties vormen een handreiking bij coaching en het werken met een persoonlijk ontwikkelingsplan van en door leerkrachten die hun onderwijs interactiever vorm willen geven:

  • leerlinggerichtheid
  • mondelinge uitdrukkingsvaardigheid
  • luisteren
  • coachend leren
  • flexibiliteit
  • oordeelsvorming
  • plannen en organiseren
  • creativiteit

Deze competenties zijn verder uitgewerkt vanuit de invalshoek van de vijfpunter.
Bij elk onderdeel van de vijfpunter is een competentie centraal gesteld en uitgewerkt in concrete gedragsvoorbeelden.
Op deze wijze wordt verhelderd op welke wijze de betreffende competentie relevant is bij interactief (taal)onderwijs. (Bron: Prof. Luc Stevens)


1. Inrichting van een rijke leeromgeving

Bij de inrichting van de leeromgeving spelen een aantal leerkrachtcompetenties een belangrijke rol. Zo wordt er een beroep gedaan op het vermogen een kansrijke leeromgeving te organiseren en dit een plek te geven in de dagelijkse routine. Het presenteren van diverse materialen op een originele wijze en het creëren van een aanbod waarin verschillende activiteiten op elkaar zijn afgestemd, zijn belangrijke aspecten bij de inrichting van de leeromgeving.

Bij het selecteren van materialen en boeken zal een leerkracht bewust moeten kijken naar wat aanwezig is en welke materialen ontbreken om een breed aanbod te creëren. Maar naast plannen, organiseren en creativiteit, staat bij dit onderdeel vooral de competentie leerlinggerichtheid centraal. Deze competentie wordt hieronder uitgebreider besproken.

 Competentie leerlinggerichtheid:

Bij leerlinggerichtheid gaat het erom dat de leerkracht de wensen en behoeften van de leerling onderzoekt en hiernaar handelt. Dit is een vaardigheid die bij interactief taalonderwijs een belangrijke rol speelt. Om te zorgen dat een activiteit aansluit bij de belevingswereld van een leerling is het immers noodzakelijk om eerst te weten wat deze belevingswereld is. De leerling is hiervoor niet alleen de meest voor de hand liggende, maar ook de beste informatiebron.

Als het gaat om het inrichten van de leeromgeving dan handelt een leerkracht leerlinggericht als hij de leeromgeving afstemt op de leefwereld van leerlingen. Dit kan door leerlingen medeverantwoordelijk te stellen bij het geven van betekenis aan de omgeving en regelmatig met hen de leeromgeving te bespreken.

Voorbeelden:

  • de leerkracht nodigt leerlingen uit om te praten over verschillende soorten boeken en probeert samen met de leerlingen tot een indeling te komen voor de leeshoek;
  • de leerkracht bespreekt de inrichting van de klassenbibliotheek regelmatig met leerlingen en bekijkt samen met hen welke aanpassingen er mogelijk gemaakt kunnen of moeten worden;
  • de leerkracht laat werkstukken of andere producten van leerlingen onderdeel uitmaken van de leeromgeving;
  • de leerkracht verzamelt met leerlingen voorwerpen en materialen over het thema en zorgt dat de leerlingen op een eigen wijze met een rijk en aanbod aan materialen en middelen kunnen werken.

(Bron: Prof. Luc Stevens)


2. Veranderingen aanbrengen in de wijze van interactie en instructie

In interactief (taal)onderwijs is het zaak dat de leerkracht zorgt voor een balans tussen instructief- en constructief leren. Instructief leren vindt plaats in gesloten leersituaties, waarin directe instructie nodig is zoals bvb het aanleren van spelling- en grammaticaregels of zoals extra oefening op het gebied van technisch lezen.
Hardop denken door voorbeeldgedrag, het werken met instructietafel en korte instructies achtereen waarna leerlingen gedurende langere tijd naar keuze aan de slag gaan met opdrachten, zijn voorbeelden van veranderingen die de leerkrachten kunnen aanbrengen.

Constructief leren vindt plaats in open leersituaties. Leerlingen worden uitgedaagd om zelfstandig of door middel van coöperatieve werkvormen in kleine groepen de leerstof te verkennen en oplossingen te zoeken voor problemen. Bij het aanbrengen van veranderingen in de wijze van instructie wordt vooral een coachende rol van de leerkracht gevraagd. De competentie coachend leren staat dan ook centraal. Deze competentie staat beschreven bij ontwikkelen en invoeren van nieuwe activiteiten en routines.

Om het (taal)onderwijs interactiever te maken is het van belang dat een leerkracht op een andere manier met leerlingen in gesprek gaat. De leerkracht richt het onderwijs zodanig in dat de leerlingen hun gedachten verwoorden, onderling overleggen en zelf ontdekken hoe een probleem opgelost kan worden in plaats van bij voorbaat uit te leggen hoe iets werkt.
Mondelinge interactie waaronder ruimte bieden, feedback, taalaanbod en taalproductie (zie Damhuis & Litjens 2003) speelt hierbij een belangrijke rol. Er wordt een beroep gedaan op de competenties mondelinge uitdrukkingsvaardigheid en luisteren.

 Competentie mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

Door de vragen aan de leerlingen anders te formuleren kan de leerkracht de leerling meer ruimte geven om zijn verhaal te doen. Door de vragen die de leerkracht stelt meer open te formuleren en door meer spreekruimte te geven door te luisteren kan de leerkracht de leerling niet alleen stimuleren om door te praten, maar kan de leerkracht het leerproces ook sturen.

Voorbeelden:

  • De leerkracht gebruikt vraagvormen die het antwoord van de leerlingen zoveel mogelijk vrijlaten, waardoor de leerling gestimuleerd wordt om zijn eigen gedachten te verwoorden. De leerkracht doet dit bijvoorbeeld door open vragen te stellen (b.v Wat vind je van …? Hoe denk je dat dit werkt? Hoe gaat het verder? Wat zou een reden daarvoor kunnen zijn?);
  • De leerkracht versterkt de directe interactie tussen leerlingen door leerlingen te leren reageren op elkaar door bijvoorbeeld te vragen: Snap je wat de ander zegt? Wat vind je zelf van wat de ander zegt? Heb je zelf ook wel eens zoiets meegemaakt zoals de ander vertelt?;
  • De leerkracht schept ruimte voor initiatieven van de leerling door ook nietvragende uitingen te gebruiken in plaats van vragen;
  • De leerkracht stimuleert het ontdekkend leren van leerlingen door na het exploreren van een onderwerp open vragen te stellen die een nieuw element toevoegen (b.v En wat gebeurt er dan als je ….? Hoort …. er ook bij? Hoe kunnen we dat te weten komen? Waar kunnen we dat opzoeken?);
  • De leerkracht laat het ontdekken van manieren om een probleem op te lossen aan de leerling over en stuurt met zijn vragen het leerproces waar nodig alleen bij (b.v Wat is er gebeurd? Hoe zou dat gebeurd kunnen zijn? Wie of wat is daarbij betrokken geweest? Hoe zou je willen dat dit verder gaat?).

 Competentie luisteren

Bij het luisteren naar de leerling is het van belang dat de leerkracht hetgeen de leerling zegt niet beoordeelt in termen van goed of fout, maar dat de leerkracht de gedachten van de leerling volgt en dit ook aan de leerling laat blijken.

Voorbeelden:

  • De leerkracht schept ruimte voor eigen bijdragen van leerlingen door de rol van responsieve luisteraar in te nemen en niet alleen de rol van spreker, initiatiefnemer en vraagsteller in te nemen;
  • De leerkracht schept ruimte voor een uitgebreidere reactie van leerlingen door na een kort antwoord van een leerling eerst even stil te blijven en de leerling de gelegenheid te bieden om verder te praten;
  • De leerkracht laat merken dat hij de leerling volgt door korte (non-verbale) luisterreacties te geven zoals knikken, mm, ja, enzovoorts;
  • De leerkracht laat leerlingen in een gesprek zelf naar voren brengen wat zij belangrijk vinden, pakt hun gedachtelijn op en gaat daarop verder door bijvoorbeeld vragen te stellen als ‘wat denk jij ervan?’, ‘hoe gaat dat dan?’, ‘wat vinden jullie daarvan?’;
  • De leerkracht stimuleert de kwaliteit van de inhoud van een gesprek door herverwoorden, doorspelen en verbinden van leerlingbijdragen (in plaats van het geven van inhoudelijke feedback over correctheid van de leerlingbijdrage).

(Bron: Prof. Luc Stevens)


3. Ontwikkelen en invoeren van nieuwe activiteiten en routines 

De competentie coachend leren

staat feitelijk altijd centraal als men interactief (taal)onderwijs wil implementeren. In plaats van leren door instructie van de leerkracht, zal de leerkracht bij het geven van interactief (taal)onderwijs veel vaker een coachende rol moeten innemen bij activiteiten en routines. De competentie creativiteit speelt natuurlijk ook een rol bij het ontwikkelen en invoeren van nieuwe activiteiten en routines, maar het accent ligt op de competentie coachend leren.
De competentie creativiteit staat daarom beschreven bij aanpassingen in het gebruik van methoden en programma’s.

 Competentie coachend leren

De leerkracht besteed aandacht aan de procesmatige kant van activiteiten en reflecteert samen met de leerling(en) op activiteiten. Hij stimuleert leerlingen om samen te werken aan opdrachten. 

Voorbeelden:

  • De leerkracht stimuleert de interactie tussen leerlingen bij activiteiten en geeft bij het begeleiden van deze interactie sturing aan het leerproces, zonder dat hij de werkwijze voor de leerlingen bepaalt;
  • De leerkracht vestigt bij samenwerkingsopdrachten ook de aandacht op hierbij behorende vaardigheden zoals luisteren, op elkaar reageren en elkaar laten uitpraten;
  • De leerkracht vraagt leerlingen om te reflecteren op hun samenwerkingsgedrag. De leerkracht helpt leerlingen zich bewust te maken van diverse procesmatige stappen die ze kunnen zetten bij het oplossen van een probleem of beantwoorden van een vraag;
  • De leerkracht laat door voorbeeldgedrag zien hoe en waarvoor je taal kunt gebruiken;
  • De leerkracht leert leerlingen hoe ze aan de hand van eigen leervragen op een positieve manier hun schrijfproducten kunnen bespreken;
  • De leerkracht laat door hardop denken zien hoe leerlingen lees- en schrijfactiviteiten kunnen aanpakken.

(Bron: Prof. Luc Stevens)


4.  Aanpassing van activiteiten en routines aan specifieke leerbehoeften van (groepen) kinderen in de klas

Leerlingen verschillen in de manier waarop zij zich nieuwe leerstof het makkelijkst eigen maken. Niet voor alle leerlingen is bijvoorbeeld mondelinge instructie de beste methode. Om als leerkracht goed te kunnen aansluiten bij de diverse leerstijlen van leerlingen is de competentie flexibiliteit van belang.
Daarnaast zal een leerkracht oog moeten hebben voor de ontwikkeling (en mogelijke achterstand hierin) van leerlingen. Hierbij vormen niet toetsgegevens, maar ook observatiegegevens een belangrijke bron van informatie. Op grond hiervan kan een leerkracht bepalen voor welke leerlingen extra aandacht of begeleiding zinvol is. De competentie oordeelsvorming speelt in dit proces een belangrijke rol.

 Competentie flexibiliteit

Door zijn gedrag in sommige werkwijzen aan te passen kan de leerkracht beter ondersteuning bieden aan leerlingen met andere leerstijlen of meer behoefte aan diverse instructiestijlen.

Voorbeelden:

  • De leerkracht stemt de mate van ondersteuning en de wijze waarop deze geboden wordt tijdens de taalactiviteit af op het gedrag van het kind;
  • Als een bepaalde werkwijze niet aanslaat bij een leerling past de leerkracht zijn/haar werkwijze of stijl van presenteren aan en maakt bijvoorbeeld meer gebruik van visuele middelen;
  • De leerkracht combineert verschillende gedragsstijlen (b.v vragen stellen, informatie geven, stelling nemen) zodat kinderen beter leerstof kunnen verwerken.

Competentie oordeelsvorming

Om goed te kunnen inspelen op de specifieke leerbehoeften van leerlingen is het van belang dat een leerkracht zich bewust is van de vaardigheden en kennis van leerlingen. Alleen dan is het immers mogelijk om te zien welke leerlingen extra aandacht of (een andere) begeleiding kunnen gebruiken.

Voorbeelden:

  • De leerkracht let op de manier waarop een leerling een opdracht aanpakt en vormt zich op basis hiervan een beeld van de leerstrategie van de leerling’
  • De leerkracht herkent welke concepten leerlingen al verworven hebben en stemt de specifieke invulling van activiteiten hierop af;
  • De leerkracht baseert zich in zijn handelwijze op: toetsgegevens, checklists, werk van de leerlingen, portfolio en aantekeningen van observaties tijdens het werken.

(Bron: Prof. Luc Stevens)


5.  Aanpassingen in het gebruik van methoden en programma’s

Als de leerkracht aan de slag gaat met interactief (taal)onderwijs en hierdoor methoden en programma’s anders gaat gebruiken, door bijvoorbeeld taken te schrappen of te vervangen, is het van groot belang dat de leerkracht zicht houdt op de leerdoelen en ontwikkeling van de leerlingen. De competentie plannen en organiseren speelt hierbij dan ook een duidelijke rol. De leerkracht kan er ook voor kiezen om, rekeninghoudend met tussendoelen, opdrachten uit de methoden aan te passen en interactiever te maken of naast de methode ruimte te maken voor betekenisvolle taken. Hierbij wordt een beroep gedaan op de competentie creativiteit.

Competentie plannen en organiseren

Bij het bedenken en organiseren van taalactiviteiten is de leerkracht zich bewust van de doorgaande lijn in het taalonderwijs. Hij houdt bij het bepalen van de inhoud en vorm van activiteiten rekening met tussendoelen die door de leerlingen bereikt moeten worden, stelt hierbij prioriteiten en zorgt waar nodig voor extra ondersteuning of andere middelen.

Voorbeelden:

  • De leerkracht is zich bewust van de leerdoelen die op lange termijn gehaald moeten worden en weet deze te vertalen in een concrete planning voor taalactiviteiten van week tot week;
  • De leerkracht houdt de ontwikkeling van elke leerling bij en zorgt voor een regelmatige update van zijn gegevens door in zijn rooster ruimte te maken om samen met de leerling op opdrachten te reflecteren;
  • De leerkracht zorgt dat bepaalde nieuwe activiteiten een vast onderdeel gaan uitmaken van de routines door ze een vaste plek te geven in het rooster;
  • De leerkracht bereidt activiteiten goed voor; zorgt dat noodzakelijke materialen aanwezig zijn en dat alle leerlingen met passende taken aan de slag kunnen;
  • De leerkracht past waar nodig taalactiviteiten uit de taalmethode aan of vervangt ze om beter aan te kunnen sluiten op tussendoelen die een bepaalde periode centraal staan voor een leerling.

Competentie creativiteit

De leerkracht kan door op een vindingrijke manier om te springen met verschillende activiteiten uit de methoden en programma’s ervoor zorgen dat deze activiteiten beter aansluiten bij de belevingswereld van de leerlingen, meer betekenis hebben voor de leerling en meer ruimte bieden voor interactie.

Voorbeelden:

  • De leerkracht weet onderwerpen die leerlingen zelf inbrengen op originele wijze om te zetten in een taalactiviteit waarin leerdoelen aan bod komen die op dat moment relevant zijn;
  • De leerkracht durft opdrachten uit methoden aan te passen of te vervangen zodat de leerstof beter aansluit bij de belevingswereld van kinderen en meer ruimte bieden voor interactie;
  • De leerkracht kan nieuwe onderwerpen op aansprekende wijze te introduceren zodat de interesse van de leerlingen gewekt is.

(uit COS jaargang 18 nummer 6-2006)


6. Interactiviteit toepassen 

Hierover lees je meer  bij "Good Practice"

(Bron: Prof. Luc Stevens)

 

| Copyright ┬ę 2017 Lucien Hermans | All Rights Reserved |