ICT-integratie in het basisonderwijs



3. Samenwerkingsvormen (vormen van coöperatief leren)

Wat/hoe? Leervorm die leerlingen ertoe aanzet om in samenwerking met elkaar een taak tot een goed einde te brengen. Rol van de leerkracht: observator en coach.
Positief: doelstellingen van sociale aard worden beter gerealiseerd; bevordert initiatief nemen, kritiek formuleren en aanvaarden, transfer à nieuwe situaties, motivatie verhogen, gunstig voor attitudes verdraagzaamheid, contactbereidheid, verantwoordelijkheidsbesef, bereidheid tot helpen van anderen
Valkuil: moeilijke meetbaarheid attitudes en effecten pas op langere termijn schrikt leerkrachten af, leerkracht moet meer improviseren; lesvoorbereiding en planning zijn moeilijker te volgen.

3.1 Groepswerk

Wat: leerkrachtgestuurd coöperatief leren; samenwerken om te leren

Soorten:

a) parallel groepswerk:

Wat/hoe? Alle groepjes werken aan dezelfde taak.
Positief? Geschikt voor leerlingen met weinig ervaring met groepswerk, tekorten kunnen via andere groepen worden aangevuld.
Valkuil? Tijdrovend

b) complementair groepswerk

Wat/hoe? Opdracht wordt opgedeeld, ieder groepje krijgt ander onderdeel; bij rapportage wordt het volledige plaatje samengesteld.
Positief? Gaat sneller (indien rapportering oké); ideaal voor differentiatie (een zwakkere groep werkt aan makkelijker onderdeel).
Valkuil? Indien gebrekkige rapportering kunnen bepaalde groepen/leerlingen belangrijke schakels missen.
Voorbeeld: leerlingen krijgen een kort verhaal; groep 1 onderzoekt de stijl, groep 2 bespreekt de personages …

c) gemengd groepswerk

Wat/hoe? Verschillende mogelijkheden, bv. groepswerk met doorgeven: elk groepje begint met verschillende taak, resultaat wordt doorgegeven aan volgende groep die verdergaat of resultaat beoordeelt.
Oorspronkelijke groep krijgt aanvullingen terug en bespreekt en maakt eindantwoord.

3.2 Varianten van groepswerk

a) Brainstorming (of hersenhoos of vrije associatie)

Wat/hoe? Probleemstelling wordt op bord geschreven. Per groep noteert een leerling in kernwoorden de reacties, ideeën, meningen … van zijn groep. Er wordt niet uitgeweid over de verschillende meningen. De groep bespreekt de voorgestelde oplossingen en stelt de beste oplossing voor aan de klas. De diverse ideeën worden klassikaal gegroepeerd in een overzichtelijk webschema.
Positief? Leerlingen leren hun fantasie te gebruiken, creatief te zijn (er mag immers geen kritiek gegeven worden op elkaars ideeën).

b) Woordweb (of mindmap)

Wat/hoe? Op het bord wordt een thema genoteerd. Leerlingen maken in groepjes hierrond een woordweb. Ze voegen woorden toe die passen bij het centrale thema en duiden aan wat de relatie daarmee is (bv. zaken die met mekaar verband houden, worden in bepaalde kleur genoteerd). Alles wordt goed leesbaar genoteerd op een A3-vel. Na de groepsfase wordt elk woordweb klassikaal toegelicht door de groepsvertegenwoordiger.

c) Peer-tutoring (of diade of partnergroepswerk)

Wat/hoe? Een leerling geeft les aan een medeleerling.
Positief? Leerling-onderwijzer moet leerstof op een creatieve manier kunnen aanbrengen.
Valkuil? Leerling-onderwijzer moet leerstof onder de knie hebben.

d) Zoemgroepen (of buzz groups)

Wat/hoe? Leerlingen houden kort (bv. 5 minuten) per groep een discussie. Stemvolume beperkt houden zodat anderen niet worden gestoord. Een rapporteur (aangesteld door leerkracht of leerlingen) brengt verslag uit van zijn groep. (Wisselen in de loop van het schooljaar)

e) Jigsaw groups (of puzzelgroepen)

Wat/hoe? Basisgroepen van 4 à 5 leerlingen; opdracht wordt in 4 à 5 deelopdrachten verdeeld onder de groepsleden. Nadien worden expertgroepen (taakgroepen) samengesteld waarin leerlingen met hetzelfde opdrachtonderdeel uit verschillende groepen hun materiaal bespreken. Daarna wordt dit uitgelegd aan de eigen basisgroep. Dan volgt een individuele beoordeling over de totale leerinhoud.

f) Leerspel met wisselende groepen

Wat/hoe? Groepjes van 4 à 5 leerlingen, heterogeen samengesteld. De leerlingen overhoren mekaar. Nadien worden een drietal leerlingen van hetzelfde prestatieniveau aan de wedstrijdtafel gezet. Teamscores door optellen van de punten van de individuele leerlingen. Leerkracht zorgt voor nieuwsbrief waarin rapportage wordt gegeven over teams. Nadien worden nieuwe teams samengesteld.
Positief? Leerlingen leren samenwerken met iedereen.

g) CLIMmige werkwijze

Wat/hoe? CLIM (Coöperatief Leren in Multiculturele groepen), maar zonder rotatie
Wat/hoe? Groepswerk (heterogene groepen). Binnen de groep krijgt ieder groepslid een andere rol (aanvoerder, verslaggever, materiaalmeester, planner-tijdbewaker, bemiddelaar-woordvoerder…)

h) Check in duo’s

Wat/hoe? De leerlingen voeren individueel een opdracht uit. Daarna vergelijken ze in duo’s de eigen antwoorden met die van een andere leerling. Bij onderling verschillende antwoorden wordt er gezocht naar wat het juiste antwoord moet zijn. Met een ander duo (of met correctiesleutels) kunnen de antwoorden nog een keertje vergeleken worden. Laatste fase: check in klas: de leerkracht bespreekt enkel die vragen waarover duo’s geen overeenstemming konden bereiken.
Positief: de leerlingen leren zelf snel en efficiënt controleren

i) Mentor en pupil

Wat/hoe? Leerkracht maakt heterogene groepjes van twee leerlingen. De pupil krijgt een doeopdracht of oefening. De andere leerling (mentor) krijgt de opdracht om de pupil te observeren en raad te geven zodat die zijn doeopdracht of oefening beter kan uitvoeren.
Positief? Leerlingen leren mekaar strategieën aan.
Variant: kan ook met leerlingen van hetzelfde niveau. Leerkracht geeft mentor dan wel extra info.
Voorbeeld: begrijpend lezen van teksten. Pupil leest tekst door. Mentor geeft instructies en stelt vragen op basis van steekkaarten van de leerkracht.

j) Bekend – benieuwd – bewaard

Wat/hoe? De klas wordt in kleine groepjes verdeeld. Een nieuw onderwerp / nieuwe leerinhoud wordt voorgelegd. In de groep wordt samengevat wat men al weet over het onderwerp (bekend), worden vragen geformuleerd naar wat men nog niet weet (benieuwd). Nadien wordt het onderwerp verder uitgediept (aan de hand van beeld/audio/tekst…) en gaat de groep na wat ze te weten zijn gekomen van het onderwerp (bewaard).

k) Dobbelen

Wat/hoe? De leerlingen lezen of beluisteren een verhaal/tekst. De groepen worden ingedeeld. Elke groep heeft een dobbelsteen en een blad papier met daarop de verklaring van de stippen van de dobbelsteen. Bij ieder vlak, bij elk aantal ogen hoort een vraag (Wie? Wat? Waar? Wanneer? Hoe? Waarom?). Een leerling gooit, kijkt welke vraag hoort bij het aantal stippen en formuleert een antwoord op die vraag. De leerling naast de vraagsteller beantwoordt de vraag. De groep mag altijd helpen oplossen.
Voorbeeld: tussenstap bij het maken van een boekbespreking

l) Rondje

Wat/hoe? De groep krijgt een open vraag of opdracht. Iedereen krijgt even bedenktijd. Elke leerling legt een klein voorwerp in het midden van de tafel. Een leerling start met het geven van zijn ideeën en neemt nadien zijn voorwerp weg. Zo gaat het rondje verder tot alle voorwerpen van de tafel verdwenen zijn.
Positief: alle leerlingen komen aan de beurt.

m) De ronde tafel

Wat/hoe? Variant op het rondje hierboven beschreven. Het rondje wordt nu schriftelijk gehouden. Elke leerling heeft een blad en noteert daarop zijn antwoord. Elke leerling schrijft met een andere kleur. De bladen schuiven telkens een plaats op, de leerlingen reageren op de vorige reactie (aanvullen, opmerkingen, vragen, onduidelijkheden …).

Voorbeeld: mening geven op stelling ‘wat zou je doen, mocht je nog één dag te leven hebben’. Leerlingen leren hun mening te nuanceren.

n) Driestappeninterview

Wat/hoe? Leerkracht formuleert een vraag. In duo’s: leerling A interviewt leerling B over de vraag. Daarna interviewt leerling B leerling A. Dan volgt een rondje in een groep van vier leerlingen. Ieder vertelt wat voor hem de uitkomsten van het interview waren. A vertelt wat B heeft gezegd enz. Afronding met klasgesprek.
Voorbeeld: Stel, je wilt alleen gaan wonen. Wat zou daar allemaal bij komen kijken?

o) Spin

Wat/hoe? Groepjes van 4 à 5 leerlingen. Eventueel worden taken verdeeld (organisator, secretaris…). De leerkracht verdeelt papier en stiften en legt de opdracht uit. Leerlingen brainstormen over het onderwerp volgens de wijzers van de klok. Ieder groepslid komt dus aan bod. De organisator leidt alles in goede banen. De notaris noteert in spinvorm. Na de brainstorm kan een verwerkingsopdracht worden toegevoegd, waarbij een selectie gemaakt wordt uit de resultaten van de brainstorm.
Positief: creatief denken in groep wordt gestimuleerd.

p) Spin met spion

Wat/hoe? Variant op spin hierboven. Als de brainstorm verslapt, legt de begeleider de activiteit stil en voegt de rol ‘spion’ toe. De spion krijgt de opdracht te gaan kijken naar de resultaten van de andere groepen en daaruit over te nemen wat in de eigen groep ontbreekt. De groepen brainstormen intussen verder, de spion vult aan wat ontbreekt.
Voorbeeld: leerlingen zoeken vijf argumenten voor en tegen de doodstraf. De leerlingen selecteren de twee beste voors en tegens, stellen die voor aan de klas, en verwoorden waarom ze die hebben gekozen.

q) Carrousel

Wat/hoe? De leerlingen krijgen een vraag, stelling, probleem van de leerkracht. Daarna gaan ze per twee samenzitten, met de gezichten naar elkaar (in twee kringen: binnen- en buitencirkel, of in twee rijen). De duo’s delen info met elkaar, geven hun antwoorden op de vraag. De buitenste cirkel schuift dan een plaats door, zodat ze een nieuwe partner hebben. Opnieuw wordt info gedeeld. Zo tot de meeste vragen opgelost zijn. Eventueel kunnen hulpkaartjes worden gemaakt met uitlokkende hulpvragen of infokaartjes.
Voorbeeld: dilemma-opdrachten (wat zou je doen mocht je nog een dag te leven hebben?)

r) Hoekendebat

Wat/hoe? De leerlingen krijgen een vraag/opdracht/stelling met een aantal keuzemogelijkheden. Elke keuzemogelijkheid wordt aangeduid op een bepaalde plaats in de klas (evt. hoeken). Leerlingen maken individuele keuze (die ze op papier schrijven) en gaan naar de hoek van hun keuze. Daar praten ze in duo’s over hun keuze, ze zoeken argumenten voor hun keuze. Nadien noteren de leerlingen op hun plaats per keuzemogelijkheid de belangrijkste argumenten.
Positief: leerlingen leren keuzes maken, leren hun keuzes beargumenteren.
Voorbeeld: keuze voor een gedicht

s) Denken-delen-uitwisselen

Wat/hoe? De leerkracht stelt een vraag en vraagt iedereen erover na te denken. Eventueel kunnen leerlingen ook kort een antwoord noteren. Per twee overleggen de leerlingen over het juiste antwoord en stellen bij indien nodig. De leerkracht wijst willekeurig leerlingen aan om antwoord te geven. Er wordt niet onmiddellijk inhoudelijke commentaar gegeven, maar de vraag wordt doorgespeeld aan andere leerlingen.

t) Memory-spel

Wat/hoe? Leerling trekt een kaart (waarop woord/tekening/formule) en probeert de bijbehorende kaart met de juiste oplossing te vinden.
Voorbeeld: ideaal voor woordenschatverwerving (aanbrengen tegenstellingen…)
Alternatieven: domino

u) Body grammar

Wat/hoe? Ontstaan om leerlingen de grammaticale structuren in een vreemde taal in levende lijve te laten ervaren. Een leerling wordt zelf een woord of element in een zin en moet de structuur van een zin zoeken door in de juiste volgorde te gaan staan.
Positief: de routine van de ‘saaie’ grammaticales wordt doorbroken!

v) Binnen-buitencirkel

Wat/hoe? De leerlingen staan opgesteld in twee concentrische cirkels. Binnen- en buitencirkel staan met het gezicht naar mekaar toe. De leerlingen wisselen info uit. Op een teken van de leerkracht wordt er doorgeschoven en wordt opnieuw info uitgewisseld aan een nieuwe partner. Ideaal om op een niet-schoolse manier stof te herhalen of vaardigheden te oefenen (bv. zich voorstellen).

w) Boodschapperdictee

Wat/hoe? Duowerk. De tekst van een dictee (in een aantal exemplaren) hangt op het bord. De ene leerling blijft zitten en schrijft, de andere leerling moet telkens naar het bord om het dictee te memoriseren en over te brengen.
Positief: op die manier wordt het saaie dictee een spannende wedstrijd.

x) Pictionary

Wat/hoe? Klas verdelen in groepen. Groep tekent woord (en legt eventueel uit), andere groep moet raden.
Voorbeeld: voor aanbrengen woordenschat, tegenstellingen …

y) Carabistouille

Wat/hoe? Verhalen improviseren n.a.v. situaties met een aantal vooraf afgesproken woorden, waarbij het de taak is van de luisteraars om die woorden te raden. (Spreek- en luisteroefening)

z) Duodictee

Wat/hoe? Leerlingen krijgen blad met duodictee, plooien hun blad in twee waarbij ze elk een andere helft nemen. De ene leerling dicteert de andere. Na de oefening kunnen de cursisten hun eigen dictee verbeteren.
Positief: oefent zowel lees- als schrijfvaardigheid op een creatieve manier.

aa) Walk about grammar

Wat/hoe? Leerlingen worden in groepjes van twee of drie ingedeeld en moeten in de klas rondlopen.

3.3 Probleemgestuurd leren

Wat? Leerlinggestuurd coöperatief leren
Rol leerkracht: begeleider-procesbewaker; hij levert een actieve ondersteunende bijdrage aan het leerproces van de leerling. Leerkracht stelt stimulerende vragen, maar geeft pas inhoudelijke bijdrage op verzoek van de groep.
Hoe? Leerlingen worden ingedeeld in kleine groepen (6 à 12 leerlingen) en krijgen probleem voorgelegd. In groep wordt probleem geanalyseerd: wat weten we al, wat nog niet en wat moeten we dus nog zoeken (= formuleren leerdoelen). Leerling werkt vervolgens individueel of in groepjes verder aan de uitdieping (= zelfstudie). Nadien komt de groep opnieuw samen en wordt gerapporteerd en getest of het probleem nu beter begrepen wordt.

3.4 Simulatiespel

Wat? Rollenspel binnen een welomschreven structuur. Aan de rollen worden voorwaarden en eisen gekoppeld.
Voorbeeld: inoefenen verkooptechnieken, telefoongesprek …
Positief? Door het meer zakelijke karakter zijn leerlingen minder geremd; men komt tot meer cognitief gerichte doelstellingen.

3.5 Rollenspel

Wat? Inlevingsspel; leerling leeft zich naar best vermogen in in bepaalde rol. Klimaat van openheid en vertrouwen is noodzakelijk.
Voorbeeld: spelen van personages uit tekst
Positief? Vooral affectief, men leert zich in de plaats van iemand anders stellen, leert anderen beter begrijpen en aanvaarden.

3.6 Gevalsmethode (of casestudy)

Wat? Concrete, realistische situaties worden individueel geanalyseerd; daarna worden de visies in groep voorgesteld en besproken. De eigen visie wordt opnieuw bijgestuurd na opzoeken van bijkomende info. De verschillende visies worden geselecteerd en beoordeeld.
Positief? Probleemoplossend denken en transfer van oplossingen naar soortgelijke nieuwe situaties.

| Copyright ┬ę 2017 Lucien Hermans | All Rights Reserved |